Er zijn momenten waarop je even nergens heen hoeft. Een wandeling zonder bestemming. De stilte van een zondagochtend. Een uur waarin de wereld even op afstand staat. Cellist Jeroen den Herder en pianist Hua-Hsuan Lee maken ruimte voor zo’n moment. Met muziek, aandacht en ruimte om samen te luisteren. Soms delen zij de ochtend met een andere musicus of gast.
In dat luisteren kan zich een ruimte openen waarin de tijd even anders lijkt te lopen. Waar je even loskomt van wat je al weet, vindt of denkt. Waar iets kan oplichten wat zich niet helemaal in woorden laat vangen. Wat er ontstaat, is voor iedereen anders.
Den Herder op Zondag heeft zijn eigen vorm. Naast muziek zijn er momenten van stilte, een korte tekst of een gesprek.
Luister zoals je wilt. De rest wijst zich vanzelf.
De muziek van deze ochtend zoekt de ruimte van de openheid. Van het gevoel dat de wereld opnieuw begint en dat er altijd weer iets nieuws kan gebeuren. Van de ruimte die ontstaat wanneer je niet alles al weet of afweegt, maar ontvankelijk blijft voor wat zich aandient.
De muziek brengt ons bij componisten die hun eigen stem nog aan het ontdekken waren. Muziek uit een periode van jeugdige energie en openheid, waarin de wereld nog open lijkt te liggen en mogelijkheden zich aandienen voordat de bezwaren zich laten gelden. Ze konden nog niet weten hoe lang hun muziek zou blijven klinken, hoeveel mensen ermee zouden leven en hoeveel generaties er later naar zouden luisteren. Ook zij konden toen nog niet weten wat er uit hun muziek zou voortkomen.
In Beethovens Frühlingssonate klinkt iets van die openheid en frisheid. De bijnaam kwam pas later, maar de muziek zelf heeft een lichtheid en beweeglijkheid die gemakkelijk aan de lente doet denken: alsof de wereld opnieuw begint en alles weer mogelijk is.
Ook in de muziek van Fauré klinkt beweging. In Sicilienne en Papillon is er lichtheid en speelsheid, terwijl Après un rêve juist iets van verlangen naar een andere wereld in zich draagt. Verschillende kanten van hetzelfde gevoel: de beweging naar iets toe, zonder precies te weten waarheen.
Bij Kodály krijgt die energie een andere gedaante. Zijn muziek kan tegelijk aards en uitbundig zijn, met ritmes en klanken die rechtstreeks lijken te bewegen. In de Sonata for Solo Cello, Op. 8 klinkt een grote vrijheid: de cello zingt, spreekt, beweegt en barst soms bijna uit zijn voegen. De Sonatina laat weer een andere kant van zijn muzikale verbeelding horen.
Misschien is dat wat deze muziek ons even teruggeeft: het vermogen om niet vooruit te lopen op wat mis kan gaan. Om niet alles al te weten of af te wegen. Om ruimte te voelen voor wat nog kan ontstaan.
Dat het leven stroomt, dat de wereld steeds opnieuw begint, dat er altijd iets nieuws kan ontstaan.
Programma
Ludwig van Beethoven – Violin Sonata No. 5 in F major, Op. 24 (“Frühlingssonate”)
Gabriel Fauré – Sicilienne, Op. 78
Gabriel Fauré – Après un rêve, Op. 7 No. 1
Gabriel Fauré – Papillon, Op. 77
Zoltán Kodály – Sonatina
Zoltán Kodály – Sonata for Solo Cello, Op. 8
Musici
Jeroen den Herder – cello
Hua-Hsuan Lee – piano
Een moment om even nergens heen te hoeven.
Om samen te luisteren. Naar de muziek en naar wat er in dat moment kan ontstaan.

